Samenwerken is het sleutelwoord

Interview verschenen in STERCK Magazine

De bouw is goed voor 14% van de toegevoegde waarde gecreëerd in ons land, en 17% van de werkgelegenheid in de privésector. Zoals andere sectoren ondergaat ook deze motor van onze economie een sterke evolutie onder impuls van digitalisering en nieuwe vormen van samenwerking. STERCK Magazine overliep met Bob Van Poppel, voorzitter Confederatie Bouw Antwerpen en zaakvoerder van Bouwbedrijf Van Poppel, een aantal hete hangijzers in de sector.

STERCK. U bent sinds een half jaar voorzitter van ­Confederatie Bouw Antwerpen. Jullie spelen een belangrijke rol in de provincie?

Bob van Poppel: “In vergelijking met andere provincies zijn we inderdaad een grote kamer met ongeveer 2.000 leden. We hebben vier pijlers waarrond we werken. Belangrijk is uiteraard de ledenwerking waarbij we in ­Antwerpen ook een heel uitgebreid jongerennetwerk JOBA hebben. Die formule willen we in de toekomst nog meer opentrekken naar alle leeftijden. Daarnaast is er onze dienstverlening met eerstelijnshulp, juridisch advies, communicatie over wijzigingen op wetgevend vlak, verlenen van bijstand, … Een derde pijler is opleiding, zowel ­technische opleidingen als ­management- en sociaal-technische opleidingen. En dit zowel voor arbeiders als bedienden. En een laatste pijler is een stukje lobbywerk op provinciaal en nationaal niveau.”

STERCK. De bouwsector evolueert sterk naar werken in bouwteams?

Van Poppel: “Die evolutie zien we zeer duidelijk. De klassieke verhouding tussen hoofdaannemer en onderaannemer verandert meer en meer naar werken in een bouwteam. Daarbij werk je niet alleen veel intensiever samen tussen bouwheer, architecten en aannemers. Je moet als uitvoerders ook veel meer op elkaar rekenen om een project tot een goed einde te brengen. En tegelijk worden die projecten technisch veel complexer. Vroeger wisten onze projectleiders in woningbouw evenveel van een sanitaire installatie af als de loodgieter zelf. Tegenwoordig is dat veel moeilijker en heb je de input van de onderaannemer nodig, en ook al veel vroeger in het bouwproces. Daarom zetten we ook zo sterk in op netwerking. Onze leden leren elkaar op een ander gebied kennen, wat van pas komt als je in een bouwteam samenwerkt.”

Bouwteam en BIM

STERCK. Ziet u nog andere belangrijke evoluties?

Van Poppel: “Het werken in bouwteam past volledig in het kader van de digitalisering en BIM (Building Information Modelling). Je krijgt 1 digitaal model waarrond het bouwteam werkt. De verschillende partijen bouwen daarop voort. Die beweging is echt ingezet. De komende jaren gaan we daar grote veranderingen in zien.”

STERCK. Ontstaat er geen kloof tussen zij die al werken in BIM en de anderen? Is BIM niet enkel voor de grote bedrijven weggelegd?

Van Poppel: “Dat moet je als een evolutie zien. Innovatie gaat altijd gepaard met een investering waar je pas later rendement uit haalt. Van Poppel is zelf een middelgroot bouwbedrijf. We zijn nu met 1 of 2 projecten bezig waarin we het BIM-concept willen integreren omdat dit voor ons een meerwaarde zal betekenen. We doen zelf ook projectontwikkeling en kunnen dan ons BIM-model en de renders op voorhand gaan gebruiken in de commercialisatiefase van een project, maar bijvoorbeeld ook in de uitvoering als as-builtdossier. Ik merk dat de architecten toch meer en meer in 3D beginnen te tekenen. Op die manier gaan ook middelgrote en kleinere ondernemingen de stap naar BIM zetten. De openbare besturen die nu ervaring opdoen met BIM in zeer grote projecten, gaan die werkwijze op een gegeven moment doortrekken naar al hun projecten, dus ook de kleinere. Dan zal iedereen moeten volgen. Misschien gebeurt dat nog niet onmiddellijk in de particuliere bouw. Maar voor gestandaardiseerde zaken of prefab in de woningbouw wel en in andere domeinen van de bouw ook.”

STERCK. Gaan de vele kleine ondernemers die stap kunnen zetten?

Van Poppel: “Onze sector bestaat uit een aantal grote spelers, maar vooral uit veel kleine van één tot tien werknemers. Die zaakvoerders staan vaak alleen in voor alle administratie. Daar is wellicht een taak weggelegd voor de hoofdaannemer om een stuk van dat werk op zich te nemen. Je zal twee stromen krijgen. Zaakvoerders die al langer in het vak zitten gaan die boot misschien niet meer nemen en zich toespitsen op dossiers waar de hoofdaannemer het digitale verhaal voor zijn rekening neemt. Maar jongere zelfstandigen gaan wel die kaart trekken om vooruit te komen. Daar ligt ook een taak voor de Confederatie Bouw om iedereen die wil op weg te helpen. Ook vanuit de sector ontstaan er initiatieven om iedereen aan dezelfde kar te laten trekken. Zoals in elke sector heb je in de bouw koplopers, volgers en anderen die uit de boot vallen. Dat is normaal.”

De klassieke verhouding tussen hoofdaannemer en onderaannemer verandert meer en meer naar werken in een bouwteam.

Tekort arbeidskrachten

STERCK. Een ander actueel thema is het tekort aan arbeidskrachten in de bouw. Hoe is het daarmee gesteld?

Van Poppel: “In de bouw is er zeker en vast een tekort aan arbeidskrachten. We ­moeten in België elk jaar minstens 40.000 buitenlandse werkkrachten importeren die nodig zijn om het werk gedaan te krijgen. En ook de hogere profielen zijn schaars. Zeker in Antwerpen hebben we daar veel last van. Je merkt bijvoorbeeld dat de Oosterweelverbinding stilaan opstart, een project waarvoor veel hogere profielen nodig zijn. Dat heeft een aanzuigeffect. De grote spelers halen ervaren specialisten weg in de kleinere bedrijven. Zo hebben we zelf ook al twee projectleiders verloren.”

STERCK. Hoe kan men zich daar tegen wapenen?

Van Poppel: “Er is geen standaardformule. Ik denk dat het essentieel is om in je personeelsbeleid de eigen waarden van je bedrijf goed naar voor te brengen en op basis daarvan ook mensen te selecteren. Een familiebedrijf zoals het onze heeft nog het voordeel dat er een familiale sfeer heerst en dat je flexibel kan werken. Dichter bij huis zodat er meer tijd overschiet voor de familie en privé. En je moet iedereen een kans geven. Veel meer dan vroeger staan we open voor alle soorten instromers, waarbij we zelf een stuk opleiding voorzien. Ook daarin kan Confederatie Bouw een rol spelen. Zo hebben we nu een Syrische vluchtelinge aangeworven die in haar eigen land burgerlijk ingenieur was. Ze heeft op anderhalf jaar tijd Nederlands geleerd bij de VDAB en is nu bij ons aan de slag. Uiteraard moet ze nog veel leren. Maar zo probeer je mensen een kans te geven en hoop je dat daar een mooie samenwerking uit voortkomt.”

ZEVENDE GENERATIE VAN POPPEL

Bob van Poppel is de zevende generatie in het familie­bedrijf dat een geschiedenis heeft die zelfs teruggaat tot de tijd van Napoleon. In 1999 werd het familiebedrijf opgesplitst en gingen twee familietakken elk met hun eigen bouwbedrijf verder: Bouwbedrijf Van Poppel en de groep Willemen. Bob Van Poppel is sinds drie jaar zijn vader Paul opgevolgd aan het hoofd van het bedrijf. “Mijn vader houdt zich nu nog bijna uitsluitend bezig met de projectontwikkeling. Zo’n dertig procent van de omzet van het bouwbedrijf komt uit eigen projecten. Dat zit in stijgende lijn nu pa de tijd heeft om zich daarmee bezig te houden. Het is een mooie wisselwerking. Iedereen doet zijn eigen ding en toch is er een goede samenwerking. Ons bouwbedrijf is vooral actief in de (semi-)residentiële sector: woningen, appartementen, scholen, rustoorden, kinderopvang, … en dat zowel voor nieuwbouw als renovatie.”

STERCK. Familiebedrijven hebben op dat vlak meerdere troeven?

Van Poppel: “We hebben zestig eigen arbeiders, wat veel is voor een omzet van zestien miljoen euro. Dat is zeker een troef die je kan uitspelen in onderhandelingen met klanten. Vaak heb je een streepje voor. Je kan efficiënter werken, doet alles in één keer goed, kan faalkosten vermijden, zorgt voor een betere communicatie op de werf, … Zo kan je een verschil maken. Je moet dan niet altijd de goedkoopste zijn, al mag het verschil natuurlijk ook niet te groot zijn. Dat is niet gemakkelijk. Het verschil in uurloon tussen een buitenlander en eigen personeel is meer dan die paar procent die je mag verschillen.”

STERCK. De markt van aannemerij en die van project­ontwikkeling komen ook steeds dichter bij elkaar?

Van Poppel: “We doen bij Van Poppel al dertig jaar ook eigen ontwikkelingen. Veel bouwbedrijven zijn daarmee begonnen. Ook grote aannemers. De crisis van 2008-2009 heeft daar zeker een rol in gespeeld. Met projectontwikkeling bouw je een vast volume van opdrachten op tegen prijzen die je zelf voor een stuk kan bepalen.”

Marktafscherming

STERCK. Ook de PPS-constructies nemen toen?

Van Poppel: “Dat is zo. Naast het bouwbedrijf en de opdrachtgever is er dan vaak een financiële instelling die mee participeert. Zeker in een PPS kan je met een bouwteam een verschil maken. Het voordeel is dat je dan als aannemer vroeg in het proces betrokken bent en mee kan bijsturen. Ook in design & build zie je dat veel meer voorkomen. Een probleem bij overheidsopdrachten is wel dat men steeds meer overdreven referenties vraagt. Als aannemer hebben we allemaal een erkenning en moeten we aan voorwaarden voldoen om een opdracht te mogen uitvoeren. Dat is heel goed. Maar daar bovenop stellen de besturen vaak bijkomende eisen van referenties waardoor je in bepaalde opdrachten totaal niet aan de bak komt. Als je voor de herbestemming van een kerk al twee referenties moet geven van gelijkaardige projecten, dan beperk je de markt tot een minimumaantal spelers. Of een gemengd project van kantoren en appartementen waar je een referentie moet geven van 5.000 m2 kantoren én 5.000 m2 appartementen. Zo kan je nooit een volgend project doen. We hebben een goed systeem van erkenningen. Je mag referenties vragen, maar dat mag je niet te eng nemen. We zijn bouwers. Of je nu appartementen van 50 m2 of 500 m2 bouwt of een kindercrèche of een school, … technisch is dat niet zo’n groot verschil.”

We moeten ervoor zorgen dat ons bestaande woningaanbod up-to-date gemaakt wordt en vernieuwd. 

STERCK. Hoe kijkt u naar de ontwikkelingen rond de befaamde betonstop?

Van Poppel: “De betonstop is een zwaar woord waarbij iedereen denkt dat er niet meer gebouwd zal worden. Ik denk dat je vooral naar duurzaamheid moet kijken. We moeten ervoor zorgen dat ons bestaande woningaanbod up-to-date gemaakt wordt en vernieuwd. Er kan nog heel wat efficiëntiewinst geboekt worden met een verdichting in de woonkernen. Daar ligt een grote uitdaging. Er moet een evenwicht zijn tussen groen en toch voldoende ruimte voor de mensen.”

Wandel
mee